Als je een waxinekaarsje aan steekt en er een glas overheen zet, zal het kaarsje uit gaan. Als je dat waxinekaarsje laat drijven op water terwijl je er het glas er overheen zet, zal het water in het glas stijgen. Op het internet zwerven er verschillende verklaringen voor dit fenomeen rond.
Het kaarsje verbruikt zuurstof, waardoor er een vacuüm ontstaat en het water omhoog wordt gezogen.
Het kaarsje verwarmt de lucht in het glas, waardoor de lucht uitzet. Wanneer de kaars dooft koelt de lucht af waardoor de druk afneemt en er water omhoog wordt gezogen.
Bij het verbranden van de kaars ontstaan er waterdamp en koolstofdioxide. De waterdamp condenseert aan de binnenkant van het glas, waardoor er minder gas in het glas is en de druk afneemt. Hierdoor wordt het water omhoog gezogen.
Verklaring 1 klopt niet. Bij een verbrandingsreactie wordt er weliswaar zuurstof gebruikt, maar de atomen verdwijnen natuurlijk niet. De druk binnen het glas zal dus niet verlagen door alleen zuurstof verbruik. Verklaring 3 klopt wel, maar het effect op de verlaging van de druk is kleiner dan bij verklaring 2, dus verklaring 2 is het meest waarschijnlijk. De koker wordt over het kaarsje heen gezet als het kaarsje brandt, de lucht in de koker wordt verwarmd door het kaarsje. Vervolgens sluit de koker de luchttoevoer van het kaarsje af door hem over het water te zetten. Het kaarsje dooft (geen zuurstof meer om te branden) en de lucht koelt weer af. Doordat de lucht afkoelt, wordt de druk in de koker veel lager en trekt hij vacuum. Omdat de koker niet helemaal op de bodem van het badje staat, maar er toevoer van water toelaat, zuigt de koker het water naar binnen. Stelling 2 is correct.